Norton motoren

38ca06ef283942a1859b953cd90bfe3e.jpg

Reeds als jongen toonde James Lansdowne Norton zich een veelbelo­vend technicus die met zijn eigengebouwde stoommachinemodellen in zijn geboorteplaats sterk de aandacht trok. Zijn leertijd volbracht hij bij een gereedschapsmaker en de daar opgedane ervaring kwam goed van pas, toen hij op het eind van de negentiende eeuw voor zich zelf begon. Zijn Norton Manufacturing Company hield zich aanvan­kelijk bezig met het maken van onderdelen voor de rijwielindustrie, maar schakelde al spoedig over op motorfietsen. In 1902 kwam de eerste Norton uit, voorzien van een Clement-motorblok. James was een veel beter technicus dan zakenman en het nieuwe bedrijf liep niet zo best tot hij een samenwerking aanging met een van z'n toeleveranciers, R.T. Shelley. Zij stichtten Norton Motor Ltd. en dat werd een groot succes. James Norton kon zich nu helemaal op de techniek concentreren. Dit had onder meer tot gevolg dat Rem Fowler in 1907 de allereerste TT won op een Norton voorzien van een door James opgevoerde 617 cc Peugeot V-twin. In 1909 werden nog in slechts twee van de acht Nortons inbouwmoto­ren gebruikt. Voor de overige zes had James Norton al eigen motoren ontwikkeld, oplopend van 3,5 tot 5 pk. De beide andere waren 2,5 pk motoren van JAP. Het vertrouwen dat een aantal vooraanstaande motorhandelaren in het nieuwe merk stelden, werd niet beschaamd, want nog véér 1914 waren met de 490 cc zijklep Norton niet minder dan 112 nationale en internationale records gebroken, waarbij snelhe­den van boven de 130 km/u geen uitzondering waren. Tijdens de Eerste Wereldoorlog leverde Norton motoren aan het Russische leger. In die jaren verhuisde het bedrijf ook naar het adres dat wereldbe­roemd zou worden, Bracebridge Street in Birmingham. Een van de meest populaire motoren in de serie die in de jaren na de Eerste Wereldoorlog werd opgezet, was de 663 cc ééncilinder die onder de naam 'Big Four' grote opgang maakte als motor voor dagelijks gebruik, zowel solo als met zijspan. Niettemin kon Norton in de eerste naoorlogse TT's op het eiland Man niet winnen. Met de zijklepmotor met drie versnellingen kwam Dou­gie Brown niet verder dan een tweede plaats. Daarom construeerde 'Pa' Norton een 490 cc kopklepmotor die bij z'n eerste proefritten al tot 158 km/u kwam. De daarvan afgeleide toermachine, het model 18, dat als noviteit ook trommelremmen met inwendige remschoenen had, gold spoedig als de snelste standaardmotor ter wereld. In de TT van 1923 behaalde de nieuwe racer een tweede plaats in de 500 cc klasse en een tot 600 cc opgeboorde versie eindigde als tweede in de zijspanrace die dat jaar voor het eerst werd verreden. Om het publiek er nog eens van te doordringen dat niet alleen de Norton racers, maar ook de standaardmotoren tot hoge prestaties in staat waren, liet Norton officials van de Engelse motorbond ACU naar eigen goeddunken in het magazijn alle onderdelen uitzoeken, assembleerde onder toezicht daarvan een motorfiets en brak met die machine vervolgens niet minder dan 18 wereldrecords op de in die dagen beroemde Brooklands baan. De ACU onderscheidde de makers voor deze prestatie met de zojuist ingestelde Maudes Trophy. Ook het daaropvolgend jaar wist Norton deze Trophy te bemachtigen door een prestatierit van bijna 6.500 km tussen Lands End en John 0' Groats vice versa. Als kroon op het werk behaalde Alex Bennett met zijn Norton dat jaar de overwinning in de 500 cc klasse van de TT-races op Man. De TT van 1926 zag een nieuwe Norton-fabrieksrijder aan de start, Stanley Woods. Hij kwam, zag en overwon. Nog datzelfde jaar verscheen Norton op de motortentoonstelling met een standaardmotor waarin de noviteiten van de racer van Woods waren verwerkt, zoals een vierversnellingsbak en 'drysump' smering, dat wil zeggen met de olie in een aparte olietank. De verkoop nam een enorme vlucht en dat stelde Norton in staat een deel van de winst te investeren in de ontwikkeling van nieuwe modellen, zoals bijvoorbeeld de motor met bovenliggende nokkenas waarmee Alec Bennett in 1927 de TT op Man won. Reeds het jaar daarop werd ook een standaardmotor met bovenliggen­de nokkenas uitgebracht. Naast deze 'Cammy' Norton kwam er ook een nieuwe uitvoering van de ES 2 kopklepper voorzien van een nieuw frame waarbij de tank zoals thans algemeen gebruikelijk, over de bovenste framebuis hangt. Bert Denley zorgde voor een mijlpaal in de motorhistorie door met deze standaardmotor 160 km/u af te leg­gen, maar zagen evengoed kans om een paar belangrijke trials met deze motor te winnen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog concentreerde Norton de produktie op de 500 cc zijklepmotor, de beroemde 16 H, en de 600 cc kopklep Big Four voor het leger, ook voor zijspangebruik. Ook in 1946 bleef de 16H in produktie, maar daarnaast kwam een kopklepper, het model 18. Binnen het jaar kwam Norton ook uit met telescoopvoorvorken en plunjervering achter. Ook na de Tweede Wereldoorlog bleef Norton de racecircuits beheer­sen, met nieuwe versies van de 'International' camshaft-motor en al bijna klassiek geworden Norton Manx racer.

fcd0f5c7bf664460abdd9c428df7f8f0.jpg

In 1949 bracht de fabriek een 500 cc tweecilinder kopklepper uit, het model 7, die al spoedig de naam Dominator kreeg. In de loop der jaren werd de cilinderinhoud vergroot tot 600 en zelfs 650 cc en deze Dominators mogen worden beschouwd alp de voorlopers van de hedendaagse 850 cc Norton Commando. In de jaren vijftig kregen de Norton-racers steeds sterkere concurren­tie te verduren uit Italië. Na heroïsche strijd moesten de grote éénci­linders uit Bracebridge Street tenslotte hun dominerende positie in de wegracesport prijsgeven aan de viercilinders van Gilera en M.V. Agusta. Maar de geweldige naam die Norton in de sport had opge­bouwd, zorgde er voor, dat de standaardmachines het in de verkoop goed bleven doen. In 1958 was ook een kleine tweecilinder uitge­bracht, de Jubilee naast de zware 500 en 650 cc Dominator twins die intussen van de wegrace-ervaringen hadden geprofiteerd en ook wa­ren uitgerust met het befaamde 'featherbed' frame en de Norton voorvork die niet voor niets de bijnaam 'roadholder' kreeg. Dit programma werd gecompleteerd met 350 en 500 cc ééncilinder kop­kleppers (Model 50 en de ES 2) tot in het begin van de jaren zestig. Daarna ging het bergafwaarts. Norton verloor z'n zelfstandigheid en werd opgenomen in de groep Associated Motor Cycles. Ook die raakte in moeilijkheden. Een nieuwe groep, Norton-Villiers-Triumph leek overlevingskansen te bieden. Er werden weer 850 Commando's gebouwd, maar ook dit raakte in het slop en wat rest van het legendarische merk, is een kleine firma die zich onledig houdt met groten­deels geïmporteerde lichte tweetakten.


9c942a8b13534e3fabce1adcbfc8a0ed.jpg
6d93a8476b844211b3ae86102974b906.jpg
d13f5a5c335c41fdb9d1586a989c32c0.jpg
853f4ead73614e25b414af9d4d404d8b.jpg
37d95736143a4283a1e8707e1bc72f60.jpg
  • Geheel nieuwe Norton V4 Brits-gebouwde motor

  • koolstofvezel carrosserie

  • Carbon fiber brandstoftank

  • Koolstofvezel wielen (SS)

  • TT ontwikkeld chassis

  • 7 "high-def dashboard met achteruitrijcamera

  • Volledig elektronisch pakket