'De leeuw van Wassenaar'


Herinneringen uit een fabuleuze motorsportloopbaan:

Als jongste in een gezin met negen kinderen had Piet Knijnenburg al tien supporters, wat uit­groeide tot veel, heel veel mensen die zijn spor­tieve prestaties waardeerden. Prestaties die hem de bijnaam 'De Leeuw van Wassenaar' opleverden. Het bleek ook dat hij niet onver­dienstelijk voetbalde in het Wassenaarse Blauw-Zwart, ijshockey speelde in een Canadees mili­tair team en ook met het tennisracket ver­trouwd was. Ook jagen, zo af en toe samen met oude vrienden, was een mooi tijdverdrijf. Als op 28 augustus 1918 de Wassenaarse gara­gehouder Knijnenburg hoort dat het zojuist geboren kind weer een jongen is weet hij dat het met de opvolging in zijn bedrijf wel goed zit. Van zijn kinderen is de toen vierjarige zoon Gerard al niet uit de garage weg te slaan en nu nog hopelijk zo'n ventje erbij; dat zou ideaal zijn.
Piet vormt al vroeg een hecht duo met Gerard en ze doen alles samen. Oude, kapotte machi­nes weer aan de praat krijgen is hun grote lief­hebberij en Piet is wat trots op zijn broer als die met een Rudge 'Special' officieel aan ter­reinwedstrijden gaat meedoen. Piet is dan zelf veertien en eigenaar van een 150 cc James. De buurt waar hij woont is een 'vruchtbaar' motorgebied met het vlakbij gele­gen café van Willem Bakker met al zijn motor­clubs die ook geregeld tanken bij de pomp van Pa. Pietje is daar regelmatig te vinden en helpt dikwijls bij het bepijlen van de terreincircuits van Noordwijkerhout en Duinrell. Hierdoor raakt hij bekend met de organisatie, die hem daar in Noordwijk na wat gebedel toestaat om, als vijftienjarige, met een gebrekkige Indian Scout een keertje, nadat de hele meute junio­ren van start is gegaan, buiten mededinging er achter aan te gaan.

Van alle motormarkten thuis

Voor de Asser TT schrijft hij in twee klassen in. Hij heeft een Velocette KTT en een AJS Boy Racer (die het eerste binnen is) voor de 350 besteld en uiteraard voor de 500 zijn vertrouw­de BMW Rennsport. Hij kan ook Huib Pellikaan gelukkig maken door hem voor dit evenement een van zijn Rennsports uit te lenen. In de 350 gaat het niet zo best door een verkeerde gearing op de Velocette, maar in de 500 bemachtigt Piet een zesde plaats wat hem het Nederlandse kampioenschap oplevert, plus de Hepolite-beker die hij nu voorgoed in zijn prij­zenkast mag zetten.
Bij de huldiging van de 1948 wegkampioenen in het Feyenoord stadion tijdens de speedway races kan Piet het niet laten en laat het publiek zien hoe hij in een match tegen Cor van Gor­kum ook het speedwayen beheerst.
Na nog wat races is het tijd om zich te prepare­ren voor de Zesdaagse die in september gehou­den wordt in San Remo (Italië) . Het Vaasteam met Bovee, Roest en Piet op BSA 500 twin komt door allerlei problemen gehavend uit de strijd, maar Piet behaalt toch een Gouden medaille en blijkt een zeer waardevol rijder te zijn gewor­den. In de KNMV Kampioensrit wordt hij op zo'n zelfde BSA tweede achter Jaap Roest en smaakt de voldoening om met het merkenteam eerste te worden.

Succesjaar 1950

Half januari 1950 kwam Piet weer naar huis voor verder herstel en kon voorlopig nog niet aan motorrijden denken, maar toen op 7 mei Zandvoort ging draaien was hij weer present. In de 250 cc race vloog hij met zijn snelle DKW weg, maar halverwege de wedstrijd passeerde Lo Simons hem. Toen hij als tweede binnen­kwam bleek dat zijn stuur gebroken was, maar ja we weten zijn motto, alleen opgeven als het beslist niet anders kan. Met nog twee derde plaatsen in de 350 en 500 bleek Piet niet gele­den te hebben van zijn ongeluk. Dat bleek ook in Etten en het leek een goed jaar te worden. Maar bij de jubileum TT in Assen ging de AJS al vroeg in de race met ontstekingspech langs de kant, wat jammer genoeg in de 500 ook met de BMW gebeurde.
Succes moest nu komen in de Internationale wegraces in Zandvoort om de punten te behalen voor de kampioenschappen. Dat lukte door de 250 en de 500 te winnen en in de 350 twee­de te worden. Toen hij in Tubbergen ook nog derde werd in de 350 was het Nederlands Kam­pioenschap binnen en de vreugde werd ver­groot toen hij de BMW winnend binnenbracht en daarmee de dubbel inpikte.
Voor de Zesdaagse dat jaar in Engeland was Piet als vanouds in het BSA-team van de partij. Jammer dat Priem Rozenberg uitviel met een gebroken been, anders had heel waarschijnlijk dit team met Jaap Roest en Piet de Zilveren Vaas mee naar huis genomen. Bijna overkwam Piet hetzelfde toen zijn voet bleef haken tussen steun en rots. Hij verbeet de pijn en kon met kunst en vliegwerk nog net zijn gouden medail­le veilig stellen. Het verloop in de kampioens­competitie in de wegrace gaf aan dat Piet hoog gescoord had dit jaar: tweede in de 250, eerste in de 350 en eerste in de 500cc klasse. En toen bij de huldiging ook nog bleek dat hij voor dit jaar was uitverkoren als winnaar van de felbe­geerde Hans de Beaufortbeker was het feest compleet.

Afscheid

Bij de wegkampioenen 1955 was Piet dit keer bij de 250 cc kampioen en in de 500 de derde. De jaarlijkse Zesdaagse, nu in Tsjecho-Slow­kije, zag weer vertrouwde mannen in het Vaas B team: Ph. Haaker op Jawa 250 en Priem Rozenberg en Piet op DKW 250. Op de eerste dag was het B team, door uitvallen van Priem met motorstoring, al kansloos. Toen alles voor­bij was en de uitslag bekend werd, bleken van de Hollandse ploeg alleen Martin de Haan en Piet strafpuntloos te zijn. Een zeer verdiende gouden medaille was hun loon.
Dat jaar nam Piet gedeeltelijk afscheid van de wedstrijdsport. Hij startte hier en daar nog wel eens in een invitatie wegrace en bleef ook nog wat betrouwbaarheidsritten rijden. We zagen hem dat nog jaren later doen in de zware en lichtste (50 cc) Masse. Toen er in 1958 een officieel kampioenschap voor bromfietsers kwam gingen er 80 deelnemers van start en de senioren hadden een bekende winnaar: Piet Knijnenburg op HMW won zijn zoveelste kam­pioenschap.
Piet verkocht zijn servicestations en later het café-restaurant en verhuisde in 1963 naar de rustige Achterhoek. Hij woonde ook nog een tijdje in het buitenland, maar kwam tenslotte toch weer terug naar zijn vertrouwde omgeving toen hij in Leiden neerstreek. Piet bleef de motorsport trouw en toonde nog overal zijn belangstelling, was natuurlijk een van de ere­gasten op de Centennial Classic Grand Prix in 1998, waar hij nog een paar demonstratierond­jes draaide op zijn oude (Henk de Haan) BMW. In Piet's motorsportcarrière hadden succes en pech steeds vlak naast elkaar gestaan, maar de successen logen er niet om: dertien maal Nederlands Kampioen op de weg en in het ter­rein, negen Zesdaagsen met zes maal Goud en tweemaal Zilver, plus een 50 cc kampioen­schap en dan nog al die binnen en buitenlandse prijzen. Om zo'n man te karakteriseren sprak ik met zijn oud-bakkenist Joop Vossen. Joop, die altijd zijn vaste passagier was geweest, typeerde hem als volgt: "Piet was een man die altijd de `winnaar' wilde zijn en ging daar dan ook voor. Niet alleen met motorracen maar ook bij het vissen, jagen enzovoort probeerde hij altijd de beste te zijn".

1954

De KNMV Voorjaarsrit vroeg in 1954 leverde al direct een zilveren medaille op en samen met Elbersen en Brouwer op BSA won hij de mer­kenteamprijs. Maar belangrijker was het bericht dat hij van Flinterman kreeg: hij behoorde bij de rijders die een van de nieuwste BMW RS 54 productieracers toegewezen kre­gen. Het aftellen begon; 16 mei - Zandvoort - naderde en hij wilde dolgraag het seizoen met de nieuwe racer beginnen, maar de machine was nog niet eens onderweg. Piet hield het niet uit en ging zelf maar naar München om hem op te halen. Iemand van de raceafdeling vertelde hem dat er in de productie­racers onderling Wei wat ver­schil was maar dat hij 'Glück' had met een van de snellere machines.
En jawel, bij de training op Zandvoort draaide hij zelfs een snelste ronde van 130,5 km/h. Vol vertrouwen liep Piet de machine aan in de 500 race en vertrok aan kop. Maar al in de eerste ronde reed een Engelsman tegen de motor aan, waarbij de rechter benzineleiding brak. In de pits werd een ander slangetje geplaatst, maar een paar ronden later viel hij uit met een vastloper: het slangetje bleek te nauw met een te arm mengsel als gevolg.
De deelnemerslijst van Assen vermeldde Piet met een 250 NSU, een 350 DKW en de 500 BMW. Over de laatste valt nog iets op te mer­ken. Piet was door W. Hagen, importeur van de Cucciolo en bezig ook Gilera te gaan vertegen­woordigen, gevraagd in Assen te starten met een viercylinder Gilera. Maar de oude vriend­schap met Maarten Flinterman gaf de doorslag: het werd BMW. Maar toch was het een mooie kans. Drikus Veer kreeg nu het aanbod waar­van hij met succes gebruik maakte.
Op de dag zelf was de NSU er niet en de 350 DKW bleek een trainingsmachine te zijn zodat er nog niets te vieren viel, maar in de 500 finishte Piet op een elfde plaats, zowaar een beste prestatie gezien de productie machine. Eind juli in de G.P. van Duitsland was Piet van de partij en na een duel in de elfde plaats een goede verdienste. In Tubber­gen, op een door de regen glad circuit, toonde hij zijn meesterschap en won de 500. De ver­gaarde punten dit jaar bleken voldoende om weer kampioen van Nederland te worden in de 500 cc Masse.
Bij de Noris-Ring-rennen, het besluit van dit seizoen, kreeg Piet problemen met de remmen en wegligging, ging zelfs een keer de strobalen in, en moest met een achtste plaats genoegen nemen.

Met Indian en bolhoed

Waarschijnlijk hadden de heren gedacht dat Pietje na 100 meter ergens tussen de struiken zou eindigen, maar ze ver­gissen zich daar zeer in.... In zijn zondagse pak (thuis mogen ze er niets van weten) belandt Piet al snel bij de achterblijvers, maar de Scout, waar van alles vanaf viel, geeft er dan de brui aan en Piet moet noodgedwongen opgeven. Hij heeft echter de smaak te pakken en begint thuis de onderdelen weer bij elkaar te voegen. ondersteund door zijn Mulo-vriendjes. Begin april op Duinrell staat hij er weer, nu met een witte overall en een valhelm gemaakt van een Garibaldi (bolhoed) met van karton een stroomlijnpunt à la Wil van Gent er aan. Hoe hij het voor elkaar krijgt blijft een raadsel, maar als om tien uur starter Jan Frentrop de begin­ners weg vlagt gaat Piet in het midden van de meute mee het bos in, wringt zich met de Indian, zonder koppeling of remmen maar met treeplanken, tussen de mededingers door en komt tot stomme verbazing van velen de eerste ronde met een voorsprong van drie minuten door.
Tactisch hebben zijn vriendjes, die de 'weg' wel weten om Duinrell binnen te komen, zich over het circuit verspreid om als het nodig is onmid­dellijk de helpende hand te bieden. Piet heeft zich de kreet "hou vast" aangemeten om op de moeilijke stukken zichzelf op te peppen, wat dan ook geregeld te horen is. In de vierde ronde slaat de motor af, maar de op die plaats aanwezige jongens duwen in het mulle zand de machine weer aan. Door dat gezeul wordt hij door nummer twee gepasseerd en even later moet onze coureur definitief het veld ruimen.

Zesdaagse

Zandvoort is de derde leerschool die hij samen met Gerard wil doorlopen. Er ontstaat echter een merkwaardige situatie als de wedstrijdlei­ding Piet bij de senioren indeelt; hij heeft immers een tweede en een derde plaats bij de junioren veroverd. Gerard wint de 500 junioren in een zeer goede stijl en Piet als senior (met een luchtje) overklast zijn gerenommeerde tegenstanders volkomen en gaat met de zege strijken op een gewone toer BMW R5 uit 1936 waarin hij, om de machine wat hoger op de poten te zetten, grotere wielen gemonteerd heeft (vóór 21 en achter 20 inch), die hij bij de Eysink fabriek heeft laten maken. Tot s'avonds heel laat moeten die dag de supporters bij het servicestation aan de Deyl wachten om hun favorieten te feliciteren.
Zijn naam wordt nu ook bij de keuze heren van de KNMV bekend en die besluiten om als ver­vanger van de verhinderde Jac Schot de jonge, nog wat wilde maar moedige Piet bij wijze van leerperiode mee te sturen naar de Zesdaagse in Duitsland. Als rijder in het BMW team met Jan Moejes en Gerrit de Ridder komt hij ondanks een stroomstoring en een paar valpartijen 'schoon' de eerste dag door, maar zijn onerva­renheid wreekt zich de tweede dag. Na een dozijn slippers en valpartijen komt hij te snel op een gemene bocht aan, kan de ingezette slip dresseren, maar als het achterwiel in een goot terecht komt volgt er een harde valpartij. Hin­kend van de pijn klimt hij toch weer op de flink beschadigde motor en gaat door. Aan de finish staat de vaderlandse groep hem op te wachten maar het duurt heel lang voordat Piet met bloe­dende knie aan komt strompelen: hij was onderweg duizelig geworden en vond zich zelf terug in een weiland. Voor Piet is de Zesdaagse over, maar hij heeft niettemin een zeer goede indruk achter gelaten.

Gedonder

Begin 1947 stapt Piet samen met Jo Bovee en Henk Steman in het bestuur van de N.M.R.B. De eerste seizoenwedstrijd staat ook voor de deur, een tweedaagse betrouwbaarheidsrit in Herenthals. Piet brult daar met zijn BMW/zijspan over­al doorheen en wint deze klasse. Ook is hij lid van het winnende team.
Na afloop vraagt de Belg Albert van Hove of hij geen zin heeft om mee te doen aan motorwed­strijden op de wielerbaan van Antwerpen, waar lekker wat centjes te verdienen zijn. Daar zegt Piet geen nee op en luidt daarmee een hoop gedonder in. De KNMV vat het op als een 'zwar­te' wedstrijd op en schorst Piet. Maar als hij begin april weer mag starten ontstaat er, als hij wil trainen met de baanzijspan op Duindigt, een meningsverschil met een bestuurslid. Deze man wil de 'sterkste' zijn, terwijl Piet alleen maar voor de rennersbelangen wil opkomen. Piet wordt veroordeeld voor wangedrag en voorlo­pig geschorst. De vrije tijd die hij nu overhoudt benut hij om zijn racemateriaal prima in orde te maken. Als op 1 mei 1948 de schorsing wordt opgeheven viert hij zijn terugkomst met een klinkende overwinning in Etten.
Zijn vriendschap met Maarten Flinterman (van Hart Nibbrig & Greeve) leidt er toe dat hij in grote betrouwbaarheidsritten met een BSA gaat starten. Een van de eerste daden daarmee is het winnen van de merkenteamprijs samen met Jan Flinterman en Jaap Roest in de Zuid-Holland Grensrit.

Opschriften en merkemblemen waren vroeger gemeengoed op valhelmen. Deze op de helm van Piet komt uit de late veertiger jaren. Een konijn waarvan het hangend oor symbolisch was voor de in 1946 overleden broer Gerard, de letter `H' stond in verband met internationale wedstrijden voor `Holland'.

Ook snel op de brommer

Piet was door de jaren heen ook een vaste gast bij de Baronie Trial Cup; dit soort van hoge­school-rijden was een goede training voor zes­daagse-rijders. En hij werd ook weer voor de Zesdaagse van 1952 geselecteerd, voor het BSA team, nu met Jan Flinterman in plaats van de geblesseerdeJaap Roest. Zou driemaal scheepsrecht nu gelden? Allerlei problemen en zelfs een harde val konden niet verhinderen dat hij strafpuntloos bleef; de "Flint" verzamelde er te veel en Rozenberg brak weer iets, maar nu een olieleiding. De Vaas bleef ver weg, maar Piet had Goud. Bij de jaarlijkse nabeschouwin­gen werd hij als volgt beoordeeld: "We kunnen het niet beter uitdrukken dan door te zeggen dat Piet, wanneer hij een Engelsman was, zo vast als een huis een plaats in het Trophy team zou krijgen. Met alle respect voor de anderen, is Piet zonder twijfel de sterkste zesdaagse rij­der die wé bezitten. Hij is enorm (en in een eventuele strijd om de Vaas tegen iedereen opgewassen), maar daarnaast oerbetrouwbaar en secuur. Daarbij verzorgt Piet zijn motor rus­tig, kalm en vakkundig in iedere vrije minuut en daardoor beperkt hij de risico's tot het uiterste minimum. We hopen Piet nog dikwijls in onze teams te zien!"
In de KNMV rit vormde Piet met Jan van Rijn en Jan Veer het DKW 250 cc merkenteam. Hij viel uit met motorpech op het moment dat hij als enige nog strafpuntloos, maar het team behaal­de toch de eerste prijs in het merkenkampioen­schap. De Zuid-Holland Grensrit, gereden op BSA, bracht Piet een derde plaats.
En dan van 500 naar 50 cc, met Cees van Rijs­sel en Huib Pellikaan vormde hij het Cucciolo team waarmee ze eind november het kam­pioenschap voor Fietsmotoren aangingen. Indi­vidueel werd Piet vierde maar merkenstrijd. Op hetzelfde merk leverde hij in maart 1953 de beste prestatie in de Merkenbo­kaal rit van de Haagse Fietsmotor Club. Waar­schijnlijk had hij de smaak te pakken want toen de M.C. St. Anthonis te Oploo 50 cc weg­races organiseerden zagen we tussen het `jonge bloed' Cees van Rijssel en Piet Knijnenburg meedoen.

Serieus werk

Eindelijk, als hij achttien wordt, kan het serieu­ze werk beginnen. Pa, die altijd en overal beweerde tegen het motorrennen te zijn, ver­rast zijn zoons met een BMW R5 voor Piet en een R51 voor Gerard, met bemiddeling van Herman Zuur bij Stokvis gekocht, en waarmee de wedstrijdcarrière op de weg en terrein echt begint.
Piet ontbreekt bij de nationale wegraces op het circuit van Limburg maar is wel bij de TT van Assen, waar als goed initiatief het 'Uur der Juni­oren' als een nationale race georganiseerd is. Hij start daar met mannen die later bekende renners worden, als Dick Renooy, Ben Maltha en Drikus Veer. Deze rijden dan ook na de start rap voor de anderen uit, maar na een paar ron­des sluipt Piet naderbij en komt op de tweede plaats te liggen. Kopman Maltha merkt, met nog een paar ronden te gaan, dat de BMW op z'n hielen zit. Het is vlak voor de laatste bocht naar de finish en Piet, die denkt nog maar een paar honderd meter te hebben om Maltha te kunnen 'pakken', neemt alle risico's en houdt het gas erop. Nog even... nog even... en dan is het te laat. Hij vliegt de bocht uit en komt met een dubbele salto in een droge sloot terecht. Piet komt er zelf goed van af, maar de BMW stuitert tegen de afrastering waarachter de toeschou­wers op de grond zitten. Enkele raken gewond maar gelukkig valt de schade mee.
Geleerd van de stelling dat het gashandle ook met verstand bediend moet worden, schrijft hij in 1939 in voor de zogenaamde oefenraces van Limburg, samen met Gerard, om zoveel moge­lijk ervaring op te doen. In de 500 junioren valt hij met motorpech uit, maar wordt toch twee­de. Hoe dat kan? Bij de trainingen hebben ze per ongeluk elkaars nummerplaten verwisseld en zo wordt niet Gerard maar Piet op het scha­votje geroepen....
Ook de Nationale races in Assen hebben de broers in het programma. Piet kan rekenen op de BMW R51 RS van Jac Schot, die te elfder ure een fabrieks compressor-BMW krijgt aangebo­den. Bijna ligt de eerste prijs voor het grijpen als in de laatste ronde, terwijl hij op kop ligt op de door de regen gladde weg, Piet van Aartsen binnendoor komt. Piet neemt dat niet en draait het gas open. Met gevolg dat hij honderd meter verder rechtdoor schiet en in de strobalenbelandt, Van Aartsen met zich meeslepend. Die is vlug weer weg, terwijl Jaap Roest zijn kans grijpt en tweede wordt, vóór onze nog te geest­driftige renner.

Nieuwe start

De Voorjaarsrit van 1940 ziet hem als lid van het BMW team deze rit strafpuntloos uitrijden. Bij deze wapenfeiten moet het voorlopig blij­ven, want het wordt zaak goed door de uitge­broken oorlog heen te komen. Maar toch wordt er, op het achter het huis gelegen oude paardebaantje van hun oom, nog wel eens stie­kem plezier gemaakt met vrienden en oude motoren. Vader sterft in 1943 en de broers zet­ten de zaken verder door. Nog tijdens de oor­log regelt Gerard de aankoop van twee R51/RS BMW's met de heer Greeve. Een derde nieuwe is gekocht door de Hagenaar Hora-Siccama die er echter niets mee doet. In 1945 kunnen de broers ook deze kopen zodat ze een renstal van drie RS machines hebben.
Popelend wachten ze na de bevrijding in 1945 op de eerste motorwedstrijden. In de oorlogs­jaren heeft Piet al een speciale 500 DKW twin omgebouwd als terreinracer die zijn première beleeft in Herentals (B) . Als enige Nederlander is Piet onder de starters bij de Grand Prix de la Cambre in Brussel. Op die regenachtige dag, met de BMW R51 RS die nu een dubbele voorrem heeft van eigen constructie, laat hij een beheerste stijl zien en wordt een goede win­naar. Volgens velen is hij de aangewezen man om ons land in internationale races hoog te houden.

Uitdaging

1946 wordt een memorabel jaar. Op 18 april, even na zijn besluit om niet meer te gaan racen, verongelukt Gerard dodelijk tijdens een rit op de motor. Na zijn vader heeft Piet nu ook zijn beste maatje en steun verloren. In dezelfde maand trouwt hij zijn grote liefde die hem helpt de lasten te dragen die het voeren van een bedrijf met zich meebrengt.
Toch ziet hij kans om de motorsport te blijven beoefenen. Door onze lege vaderlandse weg­race kalender is er gelegenheid om in België de races af te stropen die daar wel georganiseerd mogen worden. Piet is een graag geziene gast en behaalt mooie successen. In eigen land behaalt hij een hele rits overwinningen in het terrein, solo en zijspan, en op de sintelbaan met de combinatie.
Het is een verrassing als hij aanwezig is tijdens dirttrackraces in Hilversum. Vrienden hebben gezegd dat hij dat soort van racen niet zou dur­ven en dàt moetje nu net nooit tegen Piet zeg­gen. Hij neemt de uitdaging aan, start op een van Leen Zuiderwijk geleende AJS 350 met de junioren mee en verslaat ze allemaal in de serie en finale!
Gelukkig zijn er ook weer wegraces en in Zand­voort en Assen is de eerste plaats voor hem, wat hem de eerste Nationale Kampioenstitel ople­vert en de begeerde Hepolite-beker (wie deze beker tweemaal wint krijgt hem definitief). In het terrein behaalt hij op Duinrell het zijspan­kampioenschap, maar het mooiste van dit jaar is de geboorte van zijn dochter Marion.

Teamrijder

1949 begon met een glibberige Z-H-Eilandenrit waarin niet veel eer te behalen viel doordat zijn machine in een sloot terecht kwam en hij moest opgeven. Op 16 april kwam Piet in het nieuws door de opening van een Sinfina tank­station filiaal aan de Boulevard in Zandvoort. In de wegraces waar hij in vier klassen uitkwam viel hij op door zijn prachtige duels in de 350 Masse met Lous van Rijswijk, maar ook was merkbaar dat de concurrentie in de zware klas­se groter werd en hij een hele kluif had aan Drikus Veer met Triumph.
De beloofde fabrieks AJS Boy Racer voor onze TT ging niet door en met zijn eigen machine viel hij na een noodreparatie al snel uit. Dat gebeurde ook in de 500: in de privéstrijd met Drikus sneuvelde zijn BMW in de derde ronde en moest Piet de rest van de race vanuit de berm bekijken.
Bij de internationale slotraces op Zandvoort gooide Piet al zijn materiaal maar weer eens in de strijd. Alles bleef heel al kon hij nergens een zege pakken, maar drie keer een derde en één zevende plek was toch een mooie afsluiting.
Als vaste deelnemer van de Zesdaagse, dit jaar in Wales, behaalde het BSA-team met Jan Flinterman, Jaap Roest en Piet in de strijd om de Zilveren Vaas een derde plaats, en individueel maakte een gouden medaille er dit jaar een succes van. In de slotbespreking werd hij nog wel eens af en toe te dartel genoemd, maar door zijn rijkunst, technische kennis en gewel­dige uithoudingsvermogen werd hij tot de beste teamrijders van Europa gerekend. Het BSA-team behaalde in de KNMV Kampioensrit bij de merkenteams de eerste plaats en Piet kon een mooie tweede klassering bij de zware senioren op zijn successenlijst bijschrijven.
Er werd dat jaar nog wat bijgeschreven, toen hij op het stadhuis van Wassenaar de geboorte van zijn tweede dochter Carla aangaf.
Het jaar eindigde toch nog ongelukkig. Tijdens de Zuid-Holland Grensrit op 19 november kwam hij bij het ontwijken van een in proble­men geraakte zijspancombinatie ten val en liep een hersenschudding op. Een geluk bij het ongeluk was dat net op dat moment Maus Gats­onides passeerde, die in de automobielklasse was uitgevallen en kalm de route af maakte. Maus bracht Piet direct naar een ziekenhuis in Den Haag waar hij met een schedelbasisfrac­tuur werd opgenomen.

Fabrieks-DKW' voor Assen

Voor de internationale races van 1952 in Zand­voort waren twee fabrieks DKW 250's inge­schreven. Eén was er voor Piet maar die was duidelijk minder snel, en toen er tijdens de race ook nog een voetrust afbrak kon hij na een moeilijke race maar net de zesde plaats innemen. Niettemin werd hij bij DKW in de fabrieksrenners-familie opgenomen voor de Asser TT. Er was ook een `kleine' belofte dat BMW een machine voor hem zou mee brengen, dus hoop genoeg. Jammer genoeg bleek de `Asser' DKW een verouderd type te zijn met allerlei problemen, die tijdens de race in de eerste ronde al achter de pits geparkeerd moest worden. BMW had alleen Walter Zeller gestuurd met een injectiemotor, dus stond Piet met lege handen.
Toen in juli de Trophee International Motocy­cliste gehouden zou worden was het een leuke verrassing onder de deelnemers Piet Knijnen­burg te vinden, die na 1600 kilometer rijden strafpuntloos bleek te zijn en een mooie gou­den medaille mee naar huis bracht.
De wegraces met een DKW 250 waren eigenlijk het enige wat we dit jaar zagen van Piet, maar bij de laatste race in Etten stelde hij het kam­pioenschap in die klasse veilig. Hierna was het inpakken voor de reis naar Tsjecho-Slowakije waar de Zesdaagse dit jaar startte. Het B team voor de Vaas was een mix van Priem Rozenberg op Matchless, Martin de Haan op Maico en Piet op BSA. In deze zware editie brachten ze het er goed van af, bleven tot het laatst vrij van straf en vochten volop mee voor de begeerde Vaas. Toen sloeg het noodlot toe. In de snelheids­proef, waar alles krap op elkaar zat, brak door fors optrekken Piet's voorketting en liep hij door tijdnood drie strafpunten op. Een vierde plaats voor het team was nu het hoogst haalba­re, Priem en Martin verdienden Goud, het Zil­ver was Piet's deel. In de nabeschouwing werd in bedekte termen het doen en laten van Piet in de proef besproken maar als hij ergens voor gaat, geeft hij alles, en dat deed hij.

Weer Nationaal Kampioen

1951 begon met de (tijdelijke) inrichting van een showroom voor HNG merken (vrienden­dienst) in zijn café naast het tankstation. De KNMV Voorjaarsrit zag Piet met een Triumph met zijspan worstelend in de zware klei als tweede eindigen. In de paar wegraces die hij in de 500 meestuurde kon, ondanks de nu twaalf jaar oude BMW die nu wel wat snelheid te kort ging komen, Piet door zijn gehaaide manier van rijden weer Nationaal Kampioen worden in die klasse.
In de Zesdaagse, nu in Italië, was het of de duvel er mee speelde: hetzelfde Vaas A team als het vorige jaar werd weer gekortwiekt door het uitvallen van Priem Rozenberg met... een gebroken been. Ons B team veroverde wel de begeerde Zilveren Vaas en Piet kwam als van­ouds met de Gouden Plak uit de strijd.
In de KNMV Kampioensrit, met het nieuwste type DKW 250, kon hij echter toch niet meer dan een achtste plaats in die klasse bereiken. Piet probeerde het nog een keer, nu in de Zuid-Holland Grensrit. Het werd wel een eerste plaats, maar die moest hij delen met zeven man!
1952 begon met enkele ritten met wisselend succes en goud in de Coup de la Montagne rit. Maar in Assen was hij niet te vinden, na een harde val in Duitsland deed hij het kalm aan. Wel waren , zijn BMW's er te zien, uitgeleend aan verschillende renners, zoals Piet Bakker, die er dit jaar zelfs NK op werd.
Een uitzondering maakte hij voor de benefice races ten bate van de nabestaanden van Lous van Rijswijk die kort daarvoor verongelukt was in Duitsland, waarbij hij zijn oude BMW naar een overwinning stuurde.

Op Matchless en NSU

Bij de samenstelling voor de Zes­daagserijders, in Wales in augus­tus, ontbrak Piet, maar later - hij kon de verleiding niet weerstaan -schreef hij toch individueel in met een BSA 500. Tijdens de eerste dag bleef hij met zijn voet haken en liep een diepe vleeswond op, maar opgeven was er niet bij. Op de vijf­de dag kreeg hij één strafpunt toen zijn krachten te kort schoten bij het naar boven duwen op een gladde helling waardoor dit jaar een Zilveren medaille zijn deel was. In de KNMV Kampioensrit haalde hij, nu eens met een Maico, in de El klasse een tiende plaats en werd vierde met Piet de Haan en Jan Markus in het Maico B team bij de merkenstrijd.
Bij de trainingen te Zandvoort in 1955 verscheen Piet op een Matchless Twin G45 en was daarmee de snelste van de dag maar moest duidelijk aan de machi­ne wennen. Met een door Cor van Eewijk in de winter naar eigen idee gebouwde en getunede NSU Sport Max finishte Piet tijdens de Interna­tionale Zandvoortraces als vierde, direct achter Duitse NSU rijders. Met de Matchless in de 500 bereikte hij een zesde plek maar zag Priem Rozenberg, nu met de HNG BMW, voor zich eindigen.
Voor de Handels Trophyrit was Piet gevraagd om een mooi parcours uit te zetten. Dat kreeg hij prima voor elkaar en de deelnemers waren daar unaniem over, maar door een te streng regelement werd er niemand geklasseerd.
Gefrappeerd door de prestaties van de NSU aan en eindigde daarmee, achter allemaal fabrieksrijders, op een prima elfde plaats. De Matchless was in de training gesneuveld maar hij kon er gelukkig een lenen, waarmee hij een twaalfde plaats haalde.