Home » Jan de Vries

Jan de Vries .. 50 cc wereldkampioen

DAT 'DRIFTEN' VAN DIE AMERIKAANSE TOPCOUREURS?

KOM NOU! DAT HADDEN WIJ, MET ONZE BROMFIETSEN, AL VEEL EERDER BIJ DE GRASBAAN RACES GELEERD..!


Jan de Vries

Uit een motorblad komt dit artikel:

Het interessante, boeiende én bijzondere aan vrijwel alle vroegere motorcoureurs in de 50 cc bromfietsklasse was (en is..!) dat zij niet alleen zo goed konden sturen, maar vooral ook dat het zulke uitzonderlijk goede techneuten waren. Ze konden namelijk tunen en sleutelen als de besten! Aalt Toersen, Jos Schurgers, Paul Lodewijkx, Cees van Dongen, Jan Huberts, Martin Mijwaart en natuurlijk Jan de Vries, onze tweevoudig wereldkampioen.

De Vries was, na Egbert Streuer, de succesvolste Nederlandse motorcoureur aller tijden, met 14 GP-overwinningen en twee mondiale titels. Het bijzondere is ook dat deze 'oude jongeren', anno nu, opnieuw grote lol beleven aan het racen in de "borrelglaasjesklasse' , zoals de 50 cc-categorie altijd werd genoemd. Bij de classic races stroomt het publiek weer massaal toe om de helden van toen te zien rondrijden op hun kostelijke Kreidler's, Derbi's, DRM's, Sachs'en, Jawa's, Zündapp's, Suzuki's, Tomossen, Honda 's, Jamathi's, Piovaticci's, Bultaco's, Morbidelli's, Casals, ABF's, Minarelli's, om maar eens een paar zijstraten in de snerpende wereld van de borrelglaasjes te noemen.

Jan de Vries begon op Kreidler, werkte bij Kreidler, bleef altijd bij Kreidler en racet nog steeds op Kreidler, over merkentrouw gesproken! Dit is het verhaal van een topcoureur, die door zijn prestaties op de wereldpodia, het fenomeen , Bromfiets' en dan met name Kreidler - opstootte in de vaart van de mobiele volkeren...

Zullen we naar de race gaan

Racen met brommers. Dat wilden we toch bijna allemaal, toen we tussen de veertien en achttien jaar Oud waren? Okay, je had natuurlijk ook van die vroeg-oude woon-werk verkeersdeelnemers, die naar de MULO kwamen op een Berini of een Solex, maar die waren zelfs in de oertijd van het bromfietswezen toch wel de risee van hun leeftijdgenoten. In Deventer, waar ik destijds naar school ging, zat ik bij jongens in de klas die helemaal uit Heeten of Holten kwamen. Op de brommer. Heel simpel waren de brommers uit de oertijd van de jaren vijftig, de 'highlights' in de jeugdsentiment beleving van schrijver dezes. Cyclemasters bijvoorbeeld, met een hulpmotor in het achterwiel, Mosquito's met de motor midden onder in het frame, evenals de Lohman diesel. En natuurlijk de 'voonvielaandrijvers', zoals de Berini M 13 of de Solex. Luxere brommers kwamen pas later, toen de vroegste jaren vijftig van de vorige eeuw de vergetelheid in waren geduwd en er ook wat meer geld beschikbaar kwam, na die barre periode van 'Nederland Herrijst'. De 'turn of the decennium', 1950 - 1960. Dat was zo'n beetje de tijd dat mannen als Aalt Toersen Jan (39) op zjn zelfbouw grasbaanracer, Het frame is van een Batavus Supersport, het blok uiteraard Kreidler en Jan de Vries met hun bromfietsen aan het grasbaanracen sloegen. Jan de Vries: 'lk weet het nog goed, het was tijdens de kermis in het Friese St. Jacobiparochie. Daar was op een voetbalveld een grasbaanparcours uitgezet. Strobalen op het weiland en gaan, je kent dat wel. Het zal inderdaad rond 1960 geweest zijn. Ik was een jaartje of zestien en ik had toen een Batavus Bilonet, zo'n tweeversnellings brommer met een JLO-blokje. Ik werd tweede, achter Bertus van 't Blik. Tja, Bertus, die had een Berini M 21, hij kon dus meetrappen en was daardoor behoorlijk in het voordeel. Vader Van 't Blik had een transportbedrijf en dat grasbaanracen met brommers werd al snel populair. Bertus vroeg op een zeker moment: 'Jan, er is een race in Gaasterland. Zullen we daarheen gaan?'

Echte noppenbanden

'Nou, via zijn vader was een vrachtwagen snel geregeld en wij naar Gaasterland, samen met de jongens van Van der Meij (die een autogarage hadden), Foppe de Boer; allemaal brommervrienden uit die tijd.

De jongens, die zo'n 'rijke' vader hadden, een garagehouder of baas van een transportbedrijf, gingen het - ach, is er iets veranderd in de racerij? - al heel gauw 'professioneler' aanpakken.

Er kwamen al snel echte 'noppenbanden' en ze konden ook aan goede onderdelen komen die de brommers sneller maakten. Maar ja, ik werkte inmiddels bij de motorzaak van Jaap Jager in Leeuwarden en die baan bracht ook behoorlijk wat nieuwe mogelijkheden.

Ik reed later op een Batavus Supersport, met een Kreidler-blok erin. Een goed, stijf frame en een snel blok, dit was het! Je leerde er natuurlijk van alles in de praktijk en bovendien pakte vader Jaap Jager het heel professioneel aan. Hij richtte zelfs een grasbaanvereniging op, werd er voorzitter van en met zijn beide zonen, Frank en Henk Jager, gingen we de 'circuits' af.

Prachtige tijden! Ik reed toen op een JLO TS 50 met drie versnellingen en dat ging heel maar ja, Jager senior had van meet af aan iets met Kreidler en hij sponsorde ruimhartig, dus het werd voor ons ook al snel... Kreidler op de grasbanen. Wegracen?

Daar dacht ik toen helemaal niet aan. Dat ging immers veel te hard? Nee, grasbaan vond ik mooi zat...!' Zoals journalist Coen Verburg destijds in het Weekblad Motor citeerde uit een interview met Jan de Vries: 'Wegracen? Mij niet gezien...!' Hoe het kan verkeren!

Mooie tijden dus, in de jaren zestig, met al die grasbaanwedstrijden. 'We raceten in plaatsen als Oldeberkoop, Heerenveen, Bontebok, Oldeholtpade, Woudsend en Lange Zwaag.

Je kreeg prijzengeld en van de vijfenzeventig gulden die er dikwijls voor mij aan de finish lag, moest ik vijftig piek afdragen aan Jaap Jager. Voor de teamkas.

Logisch, want er werd inmiddels aardig wat geïnvesteerd en de kosten voor het runnen van zo'n grasbaanteam liepen ook toen al aardig op!'

Ik kan niet zo goed tegen mijn verlies

Jan de Vries

Op dat moment in de geschiedenis beginnen de carrières van beide 50 cc-topcoureurs Aalt Toersen en Jan de Vries samen te vallen.

In het Overijsselse Staphorst las moeder Toersen de advertentie van Kreidler-importeur Henk van Veen: 'Jonge coureurs gezocht.

Proefrijden op het Circuit van Zandvoort!' In Leeuwarden riep Jaap Jager tegen Jan de Vries: Zeg Jan, zo'n twaalf-versnellings-Kreidler, zou je die niet eens willen proberen?'. Beiden dus naar Zandvoort.

Met tweehonderd andere kandidaten! Ze kwamen - zoals als ooit Julius Caesar in het jaar 47 voor Christus - ze zagen én ze wonnen. Aalt Toersen en Cees van Dongen waren toen eerste fabrieksrijder in het Van Veen-Kreidler-team. Jan de Vries was 'reservecoureur'.

'Ik kon dat niet erg goed hebben', vertelt hij nu. 'Ik kan namelijk niet zo goed tegen m'n verlies en die positie van 'reserve' beleefde ik toch min of meer zo.

Ik lag 's avonds in bed nog fanatiek te oefenen met die hand- en voetschakeling, met die twaalf versnellingen. lk was er doorlopend mee bezig. Eigenlijk geobsedeerd en ongeduldig.

Maar ia, ik dacht toen al 'Mijn tijd komt nog wel' Toersen en De Vries zouden een periode van grote bloei beleven op hun Kreidlers. Samen met die andere bromfietscoureurs als Cees van Dongen, Jos Schurgers, eerder Paul Lodewijkx en later Henk van Kessel.

Het begon bij Kreidler allemaal rond 1965. Dat was het jaar waarin Henk van Veen op zoek ging naar nieuw, jong talent en Aalt Toersen en Jan de Vries zich meldden op het circuit van Zandvoort.

In datzelfde jaar reed De Vries zijn eerste, echte race in het Overijsselse Tubbergen, waar hij als tweede finishte, achter Toersen. Er werd geracet in fraaie oorden als Oldebroek, Rockanje, Etten, Tubbergen...

In 1967 werd Jan de Vries Nederlands kampioen bij de 'internationalen'.

In 1968 maakte hij zijn debuut op het wereldpodium, de races voor de mondiale titel, de Grands Prix. De Kreidler's liepen toen al 'als de brandweer', door de eigen technische inbreng van Toersen en De Vries, maar ja.....er kwam toch steeds meer behoefte aan een grotere 'technische staf' bij Van Veen -Kreidler.

Meer technici nodig...

In de uiterst bescheiden raceafdeling van de Amsterdamse Kreidler-vestiging werkten toen Jos Schurgers en tuner Jan Smit al. Smit zou later naam en faam maken als 'snelmaker' van dragrace- en sprintkoning Henk Vink. Jos Schurgers reed zelf ook meer dan verdienstelijk en bovendien zou hij zich later ontwikkelen tot een innovatief designer (en ontwerper van de beroemde Van Veen OCR 1000-wankelmotorfiets). De raceafdeling van Kreidler behoefde, toen de successen zich aaneen regen, dus uitbreiding. Er waren dringend meer bekwame, technische mensen nodig. 'lk werkte in die tijd twee dagen bij Jager in Leeuwarden en drie dagen bij Van Veen,' vertelt Jan de Vries. 'Heen en weer naar Friesland, dat was geen optie, dus ik kwam bij de familie Schurgers in de kost. In de Paul Krugerstraat, in Haarlem-Noord. Jos had een heel lieve moeder en we hadden een wéreldtijd daar. Jos Schurgers daarover: 'Inderdaad, mijn moeder Tonia was een zeer zorgzame vrouw. Niets was haar te veel. Ze behandelde Jan dan ook gewoon als haar zoon. Ze was echter bepaald niet verzot op die raceactiviteiten van ons. Één keer is ze mee geweest naar een race op het circuit van Zandvoort. Op de tribune heeft ze de hele middag met beide handen voor haar ogen gezeten. Toen we haar vroegen of ze ook nog mooie wedstrijden had gezien, antwoordde zij min of meer opgelucht: 'lk heb gelukkig helemaal niets gezien...!' Jan de Vries: 'Er moesten steeds weer nieuwe Kreidler-racertjes worden gebouwd en we wisten al dat Jaap Voskamp in Den Haag mooie dingen kon maken. Schurgers en ik er heen. Toen kwam Jaap dus ook bij Van Veen in dienst. Jorg Mòller, de tuner, was toen net van de Technische Hochschule in Essen afgekomen en liep vervolgens bij ons stage. Jorg was maal bezeten van de kwaliteiten en de mogelijkheden van Kreidler en hij bleef gewoon bij ons hangen. Toen hadden we echt een voortreffelijk ploegje: Jorg en ik deden het technische werk aan de blokjes, Jos deed de styling, de aerodynamica en het spuitwerk en Jaap Voskamp nam het rijwielgedeelte voor zijn rekening. Ja, ik stel dat hier nu zo strak omlijnd voor, maar in feite overlapten onze werkzaamheden elkaar ook dikwijls. Iedereen hielp iedereen en dat maakte de sfeer destijds in het Kreidler-team ook zo goed.'

Een 100% kopie van Kreidler

Aalt Toersen won in 1969 de eerste drie Grands Prix van dat seizoen. In die periode reed Jan ook op het hoogste WK-niveau en dat resulteerde al snel in een derde plaats in Spanje, waardoor hij voor het eerst met zijn grote rivaal, Angel Nieto, op het erepodium belandde. Jan de Vries werd pas eerste rijder bij Van Veen-Kreidler, toen Aalt Toersen overstapte naar Jamathi, die vernuftige technische creatie van Martin Mijwaart en Jan Thiel. Dan schrijven we inmiddels eind 1969. Intussen waren toen de regels van de wereldmotorbond FIM voor de 50 cc-klasse ook veranderd: een ééncilinder motor, gewicht 60 kilogram en maximaal zes versnellingen. Jan de Vries: 'Onze successen de 50 cc races genereerden ook een groot verkoopsucces bij de 'gewone straatbrommers'. Kreidler was echt hét! En. terecht, want Kreidler heeft iets magisch. Zo'n ding loopt gewoon heel goed en supersnel. Met alle respect voor Jan Thiel...hij keek natuurlijk wél naar veel goede zaken van de concurrentie. Derbi, het merk van mijn grootste concurrent in de racerij, Angel Nieto, eveneens. Maar die 'liggende cilinder' bijvoorbeeld, rende inlaten en nog veel meer technische hoogstandjes, vrijwel allemaal afgekeken van Kreidler. Bij Derbi hebben ze op een gegeven ogenblik zelfs onze Kreidler voor de volle gekopieerd. Compleet, met alle foutjes en tekortkomingen. Die hadden wij er snel uit, maar Derbi heeft heel lang met die fouten liggen klooien...!'

Jan de Vries

 Op de proefbank

Nico Claassen, vriend van Jan de Vries en ook al zo'n begenadigd constructeur en tuner, sleutelt vrijwel dagelijks hard aan zijn Derbi. Zo'n Spaanse 'brommer' waarop Angel Nieto reed. Op de proetbank van zijn werkplaats aan de Zaanse Kalverringdijk perst Claassen soms wel een hele PK, tot zelfs wel tot anderhalf peekaatje, méér uit zijn ranke, rode machientje. Jan de Vries: 'Dat kan wel zijn, maar op de proefbank is het toch wel een tikkeltje anders dan op een circuit, zo kan ik je verzekeren.' Zo introvert als Jan de Vries vroeger overkwam, zo gezellig en open manifesteert hij zich
nu. Hij is ook weer een graag geziene gast bij als die klassieke ewenementen, zoals de Bikers's Classics op de grote Europese circuits en bij de Centennial Classic -TT op het circuit van Assen. Opmerkelijk zijn nu zijn bevindingen en uitspraken over de racestijl van de coureurs van destijds.

Borrelglaasjesklasse

Gelukkig valt er op dit moment weer heel veel te genieten met deze goede oude brommers, op de grote internationale circuits. Dankzij mannen als Jan de Vries, die het tunen en het sleutelen zelf in de vingers hebben en die daarnaast ook nog eens een behoorlijk potje kunnen racen. Casey Stoner bijvoorbeeld zal vermoedelijk nooit met tang, schroevendraaier of sleutel één seconde hebben gewerkt aan z'n Ducati. Valentino Rossi en Jorge Lorenzo aan hun Yamaha's, evenmin. enkele honderden pk's daarin worden gevonden en gecreëerd door teams van tientallen, buitengemeen hoogopgeleide, technische specialisten. Coureurs als Jan de Vries deden het vrijwel allemaal zelf. In een schuurtje, een werkplaatsje bij Van Veen, aan de Haarlemmerweg in Amsterdam, of in een tentje op de circuits. En ondanks die primitievere ambiance en dat oneindig veel bescheidener kostenplaatje, zijn ze er beslist geen miljonair van geworden, zoals vele toppers van nu. Maar misschien wél gelukkiger. Om met Jan de Vries te spreken: 'Een prima leven, met mooie brommers, goede vrienden en veel avontuur....!'

Driften

'Wij hadden op de grasbanen in feite ook geleerd om te driften,' vertelt hij. 'Toen de eerste grote Amerikanen naar Europa kwamen, met hun 'backwheel steering', zoals Kenny Roberts, Eddie Lawson en Randy Mamola, werd die racestijl als uiterst revolutionair gezien. 'Dat hebben die Yanks geleerd op de dirttracks in Amerika' , werd er toen door de deskundigen geroepen. Dat was ook wel zo, maar in feite deden wij het al veel eerder. lk ben trouwens altijd wel een denker en een prakkizeerder geweest. In de trant van: ' Hoe vind ik hier wat?' en: 'Hoe kan ik die bochten nou ééntiende seconde sneller nemen dan de concurrentie?' Als je dat bij vijf bochten lukt, heb je per ronde toch mooi een halve seconde winst. Ja toch...? lk was ook altijd aan het trainen, ook al reed ik niet eens. In bed lag ik inderdaad het schakelen nog te oefenen, of de bochtentechniek. Heel raar was bij mij ook de werking van de adrenaline. Op zo'n gewoon Nederlands stratencircuitje wilden de andere jongens me nog wel eens voorbijrijden. Jan Bruins, of Martin Mijwaart, Cees van Dongen, Jos Schurgers, maar bij de Grands Prix? Nooit! Never! Dan was ik, uren voor de race, al zo hypernerveus, zo gigantisch scherp, dan stond alles echt als een veer gespannen. Nou, en dan kwam ook niemand me voorbij. Dat heb ik zelf ook altijd als heel wonderlijk ervaren!'

Jan de Vries
Jan de Vries

Wát een duels...

De gevechten van Jan de Vries en de Spaanse coureur Angel Nieto zijn en blijven legendarisch. In 1969 en 1970 zaten de beide kemphanen elkaar al geweldig dwars. Nieto trok in het begin doorgaans aan het langste eind, maar in Italië schreef De Vries de eerste GP-zege op zijn conto. Een zoete wraak voor het bloedstollende gevecht dat die twee in datzelfde jaar hadden gelewerd op het TT-circuit van Assen, toen die dekselse Nieto onze Jan de Vries in de allerlaatste ronde nog eens voorbij stak. Het duo heeft wat slag geleverd daar op de TT-baan. Jan: 'In de Strubbenbocht heeft Nieto me nooit kunnen bijhouden. Daar driftte ik namelijk doorheen: ietsje de achterrem erbij en dan schuivend de bocht door.' Jan de Vries: 'Voor 1971 moesten er
weer nieuwe racertjes worden gebouwd. Nou, die kwamen er dan ook. Met dat uitgelezen technische team werden er prachtmachines neergezet. Negentien hele pk's aan de krukas, bij 16.000 tot 16.500 toeren per minuut. Een top van ruim 185 kilometer per uur. En op het circuit van Francorchamps in België, in de afdaling? Ruim tweehonderdvier kilometer per uur. Allemaal uit een ééncilindertje van 50 cc.. ! ' Vervelend mannetje 'Tja, die Nieto. Eigenlijk vonden wij hem maar een irritant, eigengereid en vervelend mannetje, maar achteraf....! Desondanks: heel goed dat hij er was, anders waren wij ook nooit zo in de picture gekomen!' Jan de Vries werd in 1971 voor het eerst wereldkampioen in de 50 cc-klasse. Wat een prestatie en wat een euforie in Nederland. In 1972 zou hij tweede in het WK worden, maar in 1973 won De Vries alle races van dat seizoen en schreef hij de tweede mondiale titel op zijn naam. Vol binnenpret kan hij nu verhalen over de prachtige avonturen die hij met de Kreidler 'brommers' op de grote internationale circuits beleefde. In 1971 bijvoorbeeld, toen al de grote mannen van die tijd, dolgraag op een Kreidler uitkwamen. Jarno Saarinen reed er op, zelfs in officiële GP 's en ooit stond er eens een reserve Kreidler klaar, waarop Barry Sheene vroeg: 'Zou ik daar op mogen rijden?' Dat mocht van teambaas Henk van Veen (die, in de oude raceboekjes van Jan
Dassen en fotograaf Jan Heese, permanent plechtstatig als 'De Heer Van Veen' wordt geafficieerd...!) en wat dénk je....ik viel uit in de regen en Angel Nieto, met zijn Derbi, eveneens. En wie won toen de Grand Prix? Juist! Barry Sheene nota bene. Inderdaad, zoals gezegd: het waren prachttijden....!'

Bovensmering...

Zelf herinner ik met het jaar 1972 nog heel goed. De roemruchte race op het Montjuïc-circuit van Barcelona. Er werden toen vliegtuigen gecharterd om Nederlandse fans over te vliegen en iedereen hoopte op een immens feest voor de tweede, achtereenvolgende wereldtitel van De Vries. Zelfs judokanon Wim Ruska vloog als kolossale eregast en als mascotte mee. De stemming aan boord van die vliegtuigen was 'Himmelhoch jauchzend' , zoals dat later ook bij de roemruchte Daytona-vluchten het geval zou zijn. De taxfree winkels op Schiphol hadden namelijk zeer goede zaken gedaan en met de bovensmering van de motorfans zat het dus wel snor Met de race ging het jammer genoeg wat minder. Jan de Vries: ' Het weekend daarvoor hadden we in Imola gereden en in feite zouden we terug moeten naar Nederland voor een optimale revisie. Maar ja, dat was toch een hele reis, zo ver naar huis en dan snel terug. Bovendien...de Kreidler's liepen uitstekend. Nieuw zuigertje erin en alles zou immers wel goed gaan? Nou, niét dus! Kent Anderson reed op dezelfde motor als ik, maar zijn machientje liep toch beduidend harder. Hoe dat kon, begriip ik nog steeds niet. Hoe dan ook...ik werd tweede, wéér achter die vermaledijde Nieto'. Het boeiende aan die 'borrelglaasjesklasse' is vanzelfsprekend ook de enorme technische uitdaging die ervan uitgaat. Door het verfijnde racen natuurlijk, alles benutten in dat uiterst smalle 'powerbandje'. Minutieus schakelen, uiterst consciëntieus op toeren houden, helemaal wegduiken achter dat piepkleine ruitje. De coureurs moesten het liefst zo klein mogelijk van stuk zijn en uiterst licht van gewicht. (Jan de Vries woog toen 58 hele kilogrammen en thans nog steeds slechts maar dan duikt dat belangrijke aspect van het 'tunen op de vierkante millimeter' onherroepelijk op. Het is namelijk ontiegelijk (om dat heerlijk-ouderwetse woord toch maar weer eens van stal te halen) veel gemakkelijker om een pk'tje of 'tig' te vinden in een viercilinder 500 cc tweetakt, dan in zo'n ééncilindertje van 50 cc.

Tevreden man

Jan de Vries is een gelukkig en tevreden man. Met zijn vrouw Rommy woont hij uiterst content in een vriendelijk, riant eengezinshuis in Purmerend en als je hem vraagt: 'Is er iéts in je leven Jan, dat je - achteraf bezien - anders gedaan zou willen hebben?' , dan kijkt hij je een tikje verbaasd aan en zegt dan: 'Nee, eigenlijk niet. lk vind dat ik best mazzel heb gehad. In feite is alles me een beetje aan komen waaien. Ik kwam bij toeval in die grasbaanracerij terecht en het ging toen eigenlijk allemaal vanzelf. Net als later in de wegrace. Nou ja, je moest er wel iets voor doen natuurlijk, maar ik kan niet zeggen dat ik er alles op alles voor heb gezet. Ach, ik ben ooit van plan geweest om een motorzaak te beginnen. Ik heb daarvoor, na m'n technische opleiding, het BOVAG-diploma nog eens gehaald, maar dat is er nooit van gekomen. Ik vind de techniek nog steeds mooi en boeiend. En het sleutelen, tunen en 'uitvinden', samen met m'n vrienden. Er bestaan nog steeds zoveel raadsels en uitdagingen in de motortechniek, onvoorstelbaar. Neem nu alleen het fenomeen van zo'n expansiepijp. Al die theorieën daarover. kritische facetten van de tegendruk in zo'n uitlaat, de flow van de geluidsgolven erin, die de werking van de motor direct beïnvloeden. Het feit dat een tweetakt-blokje, zonder zo'n expansiepiip, zo maar de helft minder aan vermogen lewert. Racen doe ik nu uitsluitend voor m'n lol. Ik wil geen wedstrijden meer. Alleen maar demonstratierondies. Af en toe rijd ik wel een aantal voorgeschreven ronden volledig uit. Zoals laatst in Froburg. Wat bleek? Dat ik toen wel degelijk in een wedstrijd reed en dat ik, zonder het echt te beseffen, derde was geworden... Het racen met klassieke motoren is in feite in 1998 weer begonnen. Bij die eerste Centennial op het TT-circuit, die prachtrace van Ferry Brouwer. M'n Kreidlertje stond hier op de zolder. Ik geloof dat-ie een jaartje of vijfentwintig stil had gestaan. Enfin, benzine erin, filtertje nagekeken, bougietje gewisseld en hup, lopen als de brandweer! Ja, die Ferry Brouwer heeft daarna heel wat losgemaakt met zijn klassieke racehobby. Kijk eens wat voor een belangstelling die grote mannen van weleer trekken met hun legendarische machines: Giacomo Agostini, Phil Read, Christian Sarron, Hugh Anderson, Steve Baker, Randy Mamola, Dieter Braun, Marco Lucchinelli, Wil Hartog, ga maar door. Maar wij ook, met onze 50 cc-klasse, die in feite destijds door de Fédération Internationale de Motocyclisme (FIM) was gestart om betaalbaar racen mogelijk te maken en om jonge coureurs opstapmogelijkheden te bieden. In 1962 verleende de FIM de 50 cc-klasse WK-status. Dat heeft tot 1983 geduurd. Wij Nederlanders zijn er van meet af aan succesvol in geweest, Paul Lodewijkx natuurlijk, Aalt Toersen, Cees van Dongen, ik, en al die anderen, van wie er nu gelukkig weer velen de lol van het racen herbeleven. Voor mij is de techniek nog altijd even mooi als vroeger. Samen ideeën ontwikkelen met bijvoorbeeld Jaap Voskamp, of met Nico Claassen. Heerlijk werken aan een draaibank en zelf onderdelen maken. Jaap en ik zijn nu bezig om een Kreidler-viertaktblokje te ontwikkelen. Met een nokkenasje en met klepjes. Als dat lukt en als het motortje klaar is, dan bouwen we het in de oude Kreidler-Florett, die ik nog in onze schuur heb staan. Mooi toch?'

Jan de Vries