Aalt Toersen


Aalt Toersen behoorde tot de top van de Nederlandse racewereld het eind van de jaren '60, begin jaren '70 en bracht in de lichtste klasse van de wegracerij een zestal Grand Prix overwinningen op zijn naam. Fred Rust sprak met hem en tekende de sportcarrière op van een kleine man met een grote inzet. Dat Aalt Toersen nog altijd met groot plezier terugkijkt op zo'n actieve racetijd is duidelijk vanaf het moment dat we na een lange en koude rit bij hem en echtgenote Adrie in het noordelijke plaatsje Mussel binnenkomen. Gelijk met de welkome kop hete koffie komen de fotoalbums op tafel en begint Aalt te vertellen. Dat met name de 50 cc racerij hem nooit helemaal losgelaten heeft, wisten we eerlijk gezegd al, want hij was de drijvende kracht achter de uitstekend geslaagde reünie vorig jaar van oud-coureurs in de borrelglaasjesklasse lijdens het Nationaal Veteranen Treffen. En in zijn schuur maar laten we bij het begin beginnen. Geboren in november 1945 in Staphorst, was hij als veertien-, vijftienjarige jongen vaak met zijn vrienden in de polders rond zijn geboortedorp aan het grasbaanracen op afgedankte rijwielen met hulpmotor. En op de wegen rond het dorp waar de veldwachter niet dagelijks een ronde maakte, probeerde hij uit een met grove rattestaarten opgefokte bromfiets in de eerste versnelling de hoogst mogelijke toeren te persen en dan te kijken wanneer het boeltje plofte. Het grng dc jonge onderzoeker nog helemaal niet om topsnelheden, maar alleen om het janken van de machine. Men moet een beeld hebben van de algehele populariteit van de bromfiets destijds om de geweldige aantrekkingskracht te begrijpen, die zo'n gemotoriseerd voertuigje had op Aalt en talloze van zijn leeftijdgenoten. Een brommerritje kunnen maken was wel wat waard, herinnert Aalt zich: "Zo had ik eens het plan bedacht om met naar school gaan zo te treuzelen dat mijn moeder stiekem toestond dat ik dan maar de brommer van vader pakte om nog op tijd te komen. Het lukte en ik trots als een pauw naar school Op de Capri mel Sachs motor. 's Avonds stond de brommer weer netjes in de schuur, maar ik had 's ochtends wel het slot moeten doorzagen, want Pa had het sleuteltje in zijn zak. Toen hij van zijn werk thuis kwam en het kapotte slot zag, was het huis te klein. Voor alle zekerheid heb ik die nacht maar in de badkamer geslapen,..

Eerste successen

In 1965 kwam de eerste deelname aan de nationale wedstrijden door twee Van Veen Kreidlers, waarvan er een bereden werd door Aalt en de tweede door Jan de Vries. Na wat trainingen op het circuit van Assen werd de eerste wedstrijd gereden in Tubbergen. Voor Aalt kwam daar ook zijn eerste overwinning, waarbij vermeld kan worden dat hij zowel de snelste ronde had gereden als de grootste verbetering van het ronderecord op zijn naam had gezet, Uiteraard kon men niet op de lauweren gaan rusten; er moest nog heel wat verbeterd worden aan de fietsjes. Samen met Jan Smit gingen ze dus weer de werkplaats in om nog snellere motoren en lichtere frames te ontwikkelen. Dit alles resulteerde in een twaalfversnellingsmotor met een frame waar werkelijk alles afgehaald was om hem maar licht en snel mogelijk te maken. Op een gegeven moment stond er een rijklare machine die met brandstof mee nog geen 27 kilo op de weegschaal bracht. Hiermee werd dan ook menig rond record gebroken. In 1967 nam Aalt deel aan alle grote Grand Prix races en zag het publiek in onder andere Assen, Francorchamps en de Nürburgring wat er in een kleine werkplaats in Amsterdam door een klein, hecht team aan racefietsen ontwikkeld werd. In de TT van Assen kwam Aalt met gemiddeld 102,2 km/u als vijfde binnen en klasseerde zich daarmee als beste Nederlander in de 50 cc klasse.

Wereldrecords sprint

Het ontwikkelingswerk betrof overigens niet alleen wegracertjes. Ook het sprinten had Van Veen's belangstelling en in oktober 1968 ging Aalt met een geconstrueerde sprinter (die net 35 kilo woog) naar Engeland voor de najaars-sprints op het voormalige vliegveld van Elvington. Daar toonde Aalt dat hij niet alleen een begaafd wegrace coureur was, maar zelfs nog beter was op de sprintbaan. Want hij zette drie wereldrecords in de 50 cc neer, waarbij dat op de kwartmijl in Nederland de meeste indruk maakte, omdat hier uitsluitend over die afstand gesprint werd. Aalt flitste in 15.502 seconden over de baan, waarbij hij aan het eind over de 170 km/u. draaide. Over de kilometer deed hij 30.31 seconden, wat een gemiddelde snelheid Ian 118 km/u betekent, en op de volle mijl werd hij op 44.39 seconden geklokt. Cijfers die aangeven wat een, zeker voor die tijd, gigantisch vermogen uit een 50 cc motor geperst kon worden Dat jaar werd echter ook een nieuwe F.I.M. regeling van kracht die inhield dat er hij de 50 cc races niet meer dan één cylinder en ten hoogste zes versnellingen aan boord mochten zijn. Dus moest er die winter in weer druk gesleuteld worden Dat resulteerde in drie nieuwe fietsen, die bijna een kopie waren van de originele fabrieksracer, met dit verschil dat er een andere versnellingsbak in zat, een meer gestroomlijnde tank en een iets andere buddyseat voor de perfecte racehouding. Vaste prik was dat zodra een fiets klaar was hij elke woensdag op Zandvoort werd getest. Daar bleek een van de motoren als hij koud was 18pk te leveren, maar nadat hij op temperatuur kwam, terug te vallen naar 15,8 pk. Een perfecte motor dus om sprints mee te rijden zolang hij maar koud was.

Toen Aalt zestien werd, sprak het wel vanzelf dat er een eigen brommer kwam, een goede echte vaderlandse Sparta. Aalt zette inmiddels als hobby het grasbaanracen voort, samen met zijn schoolkameraad van de LTS, André Gebben. En zo zag vader Gebben, die een fietsenzaak had en ook dealer was van diverse bromfietsmerken, waaronder Berini (populair bij de boerenlui die een stevige brommer nodig hadden waar ze een melkbus op konden vervoeren) en de Kreidler en Royal Nord, hun eens bezig en vroeg aan Aalt of hij geen interesse had om aan echte grasbaanraces mee te doen, Daar had Aalt wel oren naar: "In de werkplaats van Gebben stond nog een Batavus Supersport en daarvan werd de onderkant afgezaagd en er een Kreidler blok en achterbrug voor in de plaats gezet. In die tijd een perfecte combinatie en na wat trainingen kon ik al snel aan wedstrijden deelnemen. Daarbij ontmoette ik bij de Friese Grasbaanrace Vereniging voor de eerste keer Jan de Vries. Dat was in 1964 en ik had toen nog geen idee wie dat was.'

Eerste poging op Kreidler
Dat zou nog veranderen, nadat in de winter van 1964 de grote ommekeer kwam. Kreidler stopte met de 50 cc Grand Prix racerij en had enkeIe racemachines overgedaan aan de firma Van Veen te Amsterdam. Maar nu kan je wel machines hebben, er moet toch iemand mee rijden en dus werd er een advertentie gezel voor aspirant coureurs, met de notitie dat ervaring niet vereist was. Op advies van zijn moeder reageerde  Aalt hierop, al was het dan met de gedachte dat hij er nooit meer iets van zou horen. Tot zijn verbazing volgde echter na enige tijd een uitnodiging om op het circuit van Zandvoort een testrit te komen maken. "Daar zat
een kledingsvoorschrift bij om in een strakke raceoverall te verschijnen. Dat was even een probleem. want waar haalde ik dat vandaan als schooljongen met weinig zakgeld? Maar dat werd door Gebben heel vlot opgelost; hij nam me mee naar zijn winkel en pakte daar een skai overall uit het rek. Die zat wel wat ruim om het achtenverk, maar ik dacht, als ik gewoon wat meer gehukt staan, dan zit zo'n pak wel mooi strak van achteren." Samen met vader Gebben toog Aalt naar Zandvoort, om daar op zijn beurt te wachten en een praatje te maken met de andere uitverkorenen. Inderdaad uitverkorenen, want van de 109 sollicitanten (waaronder mensen met zeer veel enraring) waren er maar een paar uitgenodigd om te komen proefrijden. "We moesten rijden op een vijfversnellingsracer, maar tegen de tijd dat ik aan de beurt was had een van de andere jongens de machine laten vallen en beschadigd. Weer wachten dus, tot de racer weer in orde was gemaakt. Jammer genoeg begon het toen te regenen en hebben ze de testritten verder afgelast. Wij konden dus weer richting Staphorst zonder dat ik een meter gereden had.

Bijna wereldkampioen
In de 'Asser TT' sloeg echter de pech toe; Aalt lag op kop, maar viel. Weliswaar zat hij zo weer in het zadel, maar zijn voorremhandle was afgebroken en zonder voorrem wordt het oppassen hij de bochten... dag eerste plaats. Alhoewel Aalt in de tweede helft van het G,P.-seizoen nog driemaal de eerste plaats opeiste, kwam hij niet aan voldoende punten voor de hoogste plaats in het eindklassement. Maar een Nederlander op een Nederlands merk op de tweede plaats in het Wereldkampioenschap was toch iets waar de raceliefhebbers hier terecht trols op waren. Zeker gezien het feit dat dat bereikt was op een merk dat nog geen fractie van de ontwikkelingsmogelijkheden had van de grote, gevestigde fabrieken. Hoe dergelijke problemen overwonnen werden, illustreert het volgende verhaal: tijdens de trainingen in Assen bleek de Jamathi van Aalt maar niet goed lopend te krijgen. Aalt bleef seconden achter op de snelste rondetijd en dat was duidelijk teveel. Jan Thiel en Martin Mijwaart stonden een tijdje met bedenkelijke gezichten naar de fiets te kijken, tot Jan in de bak dook waar alle zuigers in lagen. Hij haalde er een bepaalde versleten zuiger uit en zei dat dié zuiger met dié cylinder altijd goed gelopen had en er nu dan maar weer in moest. De start was slecht, maar ineens ging de machine lopen alsof hij nog nooit gehoord had van slechte zuigers en versleten zuigerveren en ik kwam aan de finish met zes seconden voorsprong op Niëto. Een verschil van twaalf seconden met de vorige tijd! Het was jammer dat ik in de race mijn voorremhandle brak, maar met deze aardappel van een zuiger heb ik later nog drie G.P.'s gewonnen." Niemand had enig idee wat het geheim van die zuiger was; zelfs niet toen hij, compleet versleten, werd gewogen, nagemeten met micrometers en exact nagemaakt. Maar er waren ook minder plezierige dingen. In de G.P. op Monza was Aalt gevallen en had een paar middenhandsbeentjes gebroken. Maar omdat hij ook als gastrijder was uitgenodigd voor Barcelona en hij het startgeld nodig had om weer naar huis te kunnen komen (grote sponsors waren er in die tij(l nog niet, het was werken voor dubbeltjes of een paar blikken olie), kroop Aalt toch maar achter het autostuur. Terwijl zijn vrouw moest schakelen omdat zijn hand nog in het gips zat, reed hij naar Spanje. Daar heeft hij de 125 cc klasse uitgereden en in de 50 cc klasse nog drie ronden kunnen rijden. Voldoende om het startgeld te kunnen men en zo weer naar huis te komen. In de jaren 1971/72 heeft nog voor Jamathi gereden, maar het team kreeg het steeds moeilijker en Aalt stopte in 1972 met het racen als broodwinning, Voor zijn hobby gaat hij nog regelmatig met zijn zoon lekker moe worden met grasbaanracen. Vorig jaar heeft hij met groot succes in Woerden een reünie voor alle oud-racers in de borrelglaasjeklasse georganiseerd. Want, vindt Aalt nog steeds, hel was een machtige tijd, waar hij met veel plezier op terugkijkt. In de schuur staat ter herinnering nog altijd zijn oude race-Kreidler in rijklare staat.

Geslaagde herkansing
Dat was een bittere teleurstelling, maar een paar dagen later lag er een nieuwe uitnodiging in de bus en reisde Aalt voor de tweede keer naar Zantvoort af. Ditmaal zou er op de twaalfversnellingsmachine gereden worden en na enkele instructies ging Aalt voor de eerste keer van zijn leven een echt wegcircuit op. De beoordeling gebeurde door in elke bocht van de baan ienland neer te zetten die dan oog hield op de rijstijl en het volgen van de ideale lijn en daanroor punten gaf. Ieder moest vijf ronden rijden en na een eerste voorzichtige ronde reed Aalt de tweede al veel beter en de derde, vierde en vijfde ronde feilloos. Van de twaalf man die geselecteerd waren, waren er toen al zes afgevallen en er moest dus uit de overgebleven zes man nog verder geschift worden. Na een lichamelijke keuring, waarbij ook zeer streng gelet werd op het lichaamsgewicht (ook hier werden weer punten voor gegeven en kon Aalt met zijn kleine postuur nog extra scoren) , bleek Aalt liet hoogste aantal punten verzameld te hebben, Daarmee werd hij bij de firma Van Veen als eerste rijder aangenomen. Tweede rijder werd de latere wereldkampioen Jan de Vries.

Ontwikkelingswerk

Nu hij een baan had gevonden in Amsterdam, verhuisde Aalt van Staphorst naar een kosthuis in de hoofdstad. En daar meldde hij zich, toch wat onwennig als negentienjarige, bij zijn nieuwe werkgever die zich ten doel had gesteld om met Kreidler internationaal kampioen te worden. Op hetzelfde tijdstip was bij Van Veen ook een zekere Jan Smit in dienst gekomen, met wie Aalt samen moest werken om de idealen van Van Veen waar te kunnen gaan maken. Gelukkig klikte hel tussen de beide mannen en ze werkten dan ook in goede harmonie samen menig idee uit om de machines te verbeteren. Beide mannen waren taaie volhouders en die eigenschap kwam hun goed van pas, want van idee naar resultaat is vaak een lange weg, Hoe lang illustreert Aalt met het verhaal over het perfectioneren van het uitlaatsysteem:

"We bouwden met de hand vijf verschillende uitlaten en gingen dan testrijden. Op basis van de beste vorm van deze uitlaten maakten we dan weer vijf modificaties en gingen dan maar weer testrijden. In één winter werden er op die manier zo'n 40 à 50 uitlaten mel de hand gebouwd en uitgetest." Omdat het uitlaatsysteem zo'n essentiële rol speelt bij tweetaktmotoren, werd werkelijk elke mogelijkheid tot verbetering onderzocht. Aalt: "We hebben zelfs eens een trompetbouwer benaderd die verstand moest hebben van geluidsgolven en tegendruk, om de pelfecte vorm te pakken te krijgen, Maar dat is niets geworden, want die man bedacht een uitlaat die niet te bouwen was. Maar het geeft een idee van wat er allemaal uitgeprobeerd werd."

Overstap naar Jamathi 

AI die tijd werd er gereden met luchtgekoelde motoren tot Jan Smit in contact kwam niet D.R.M (Dutch Racing Motors) eigenaar Harry de Boer in Den Meern en er een watergekoelde cylinder ontwikkeld werd. Maar anderen zaten ook niet stil en in 1969 werden de mannen van Van Veen met onverwacht zware concurrentie geconfronteerd: de Derbi's bleken ineens stukken sneller te zijn dan de Kreidlers oorzaak was dat Derbi eens heel goed in het binnenste van de Suzuki 50 cc racer had kunnen kijken. De kranten stonden er vol van toen de Suzuki racer ontvreemd en niemand wist waar hij was gebleven. Er zullen zeker enkele personen een leuke vakantie in Spanje hebben gehouden toen Derbi eens mocht neuzen in een motorblok van de grote concurrent. Voor Aalt persoonlijk was 1969 een jaar met een onverwacht einde. "'We hadden goed gereden en ik was geëindigd als tweede in het Wereldkampioenschap. Maar Van Veen en ik konden niet meer tot overeenkomst komen wat betreft mijn contract voor 1970 en toen ben ik weggegaan, Omdat er toch brood op de plank moest komen ben ik in 1970 hij Henk Viscaal gaan werken en met mijn opgedane kennis de 50 cc motoren heb ik daar weer aan diverse Kreidler blokken gewerkt." Door een bepaling in zijn oude contract met Van Veen mocht Aalt ook niet op andere merken van de 50 cc klasse uitkomen, dus reed hij bij Viscaal op een 125 cc watergekoelde tweecylinder Suzuki. Daarmee kwam hij in de Asser TT dat jaar als vierde "over-all" en als beste Nederlander aan de eindstreep. Maar het was een situatie die de raceliethebhers in Nederland helemaal niet zinde en door de publieke opinie werd druk uitgeoefend om hem weer op een 50cc machine te kunnen laten rijden. Tenslotte gaf Van Veen toestemming dat Aalt een ander 50 cc merk mocht rijden. Aalt: "In die periode had ik al contacten met het Jamathi team en had ik al eens stiekem geoefend tijdens de voorjaarstraining met racer waar uiteraard geen naam op stond alleen een groot vraagteken." Dil bracht Jan de Vries en Aalt Toersen weer samen aan de startstreep, maar nu niet als teamgenoten maar als tegenstanders dat leverde stof genoeg op voor de kranten en inderdaad leverden bij de eerste Grand Prix beide renners ook ronden lang flink strijd. Toen raakte de motor van Jan de Vries defect en eiste Aalt de overwinning op:  1-0 voor Jamathi.